Battery used Battery charging

LOW←TECH MAGAZINE

De fruitgracht: subtropische planten kweken bij vrieskou

In de eerste helft van de twintigste eeuw slaagden citrologen uit de Sovjet-Unie erin om (sub)tropische planten te kweken in de buitenlucht bij temperaturen tot - 30 graden Celsius, zonder glazen constructies of energie-intensieve verwarmingsinstallaties.

Vertaald door: Kathy Vanhout

image

Afbeelding: Een fruitgracht in Touapsé.

Citrusvruchten (sinaasappelen, citroenen, limoenen, mandarijnen, clementines, pompelmoezen, pomelo’s) zijn op de internationale handelsmarkt een van de meest waardevolle fruitsoorten. Citrusplanten zijn niet vorstbestendig en kunnen enkel in tropische of subtropische klimaten worden gekweekt—tenzij in serres, waar ze voortdurend worden verwarmd door machines die op fossiele brandstoffen draaien.

In de eerste helft van de twintigste eeuw volgden tuinbouwers in de Sovjet-Unie een andere methode om citrusvruchten buiten subtropische gebieden te kweken. Niet met glazen constructies en op fossiele brandstoffen draaiende verwarmingsinstallaties, maar met behulp van dwergplanten en fruitgrachten. Tegen 1950 telde de Sovjet-Unie 30.000 hectare citrusplantages, goed voor de productie van meer dan 200.000 ton fruit per jaar.

De groei van de citrusproductie in de Sovietunie

Vóór de eerste wereldoorlog bedroeg de oppervlakte aan citrusplantages in het Russische Keizerrijk amper 160 hectare. Het strekte zich voornamelijk uit over de westkunst van Georgië . In die regio zijn de winters mild vanwege de nabijheid van de Zwarte Zee en het Kaukasusgebergte, die een barriëre vormen tegen de koude wind.

Ondanks de milde winters, is het gebied allesbehalve ideaal voor de productie van citrusvruchten. Hoewel de gemiddelde temperatuur er in de winter boven het vriespunt ligt, schommelt de minimumtemperatuur tussen -8 en -12°C. Vorst is nefast voor citrusplanten, zelfs voor korte tijd. Zo werd aan het einde van de 19e eeuw bijna de volledige citrusindustrie in Florida verwoest toen de temperaturen er kort daalden tot -3 en -8°C.

image

Afbeelding: Citrus teeltregionen in de Sovjet-Unie.

Vanaf de jaren 1920, breidden de Sovjets hun citrusteelten verder uit naar regio’s die nog minder geschikt waren dan de Georgische Westkust. Aanvankelijk in westelijke richting langs de kust van de Zwarte Zee; een regio waar de temperaturen tot wel -15°C kunnen zakken. Maar later werd ook in oostelijke richting uitgebreid, naar de Westkust van de Kaspische Zee in Azerbeidjan, en vandaar naar Dagestan, Turkmenistan, Tajikistan, Uzbekistan en de zuidelijke gebieden van Oekraïne en Moldavië. De productie van citrusplanten kwam alzo terecht in regio’s waar de temperatuur in de winter tot -30°C bedraagt, en waar de grond tot op een diepte van 50 centimeter bevroren raakt. De zomers zijn heet, droog en winderig.

Autarkisch

Voor de aanvang van de eerste Wereldoorlog, importeerde het oude Rusland bijna alle soorten citrusvruchten. De voornaamste leveranciers waren Sicilië (voor citroenen) en Palestina (voor sinaasappels). Jaarlijks importeerde Rusland tussen de 20.000 en 30.000 ton citrusvruchten. Driekwart daarvan bestond uit citroenen, waarvan het grootste deel in de traditionele Russische thee belandde.

In 1925, na de Russiche Revolutie en de burgeroorlog, had de communistische partij het plan opgevat de citrusproductie volledig in eigen handen te nemen en onafhankelijk te worden van buitenlandse import. Geen moeite werd gespaard: verschillende onderzoek- en kweekcentra werden opgetrokken en op meer dan 50 verschillende locaties werden testvelden opgezet.

Tegen 1940 bedroeg de oppervlakte meer dan 17.000 hectaren grond en oogste men jaarlijks 40.000 ton citrusvruchten, dubbel zoveel als wat het oude regime jaarlijks produceerde. Tien jaar later, omvatte de plantages 30.000 hectaren (56% mandarijnbomen, 28% citroenbomen, 16% sinaasappelbomen), die samen goed waren voor een productie van meer dan 200.00 ton fruit per jaar.

image

Afbeelding: Een citroenplantage in New Afon (Aton).

Het grote aandeel mandarijnbomen is te verklaren door het feit dat de plant het best tegen de vrieskou kan en van nature tot -2°C tolereert. Citroenbomen daarentegen zijn het slechts bestand tegen vriestemperaturen.

Er zijn drie redenen die kunnen verklaren waarom de Sovjets erin slaagden citrusvruchten te kweken in allesbehalve ideale omstandigheden. In de eerste plaats, kweekten ze voornamelijk varianten die de kou beter verdragen dan andere. Ten tweede ontwikkelden ze hun eigen bijzondere snoeiwijzen die de planten beter bestand maakten tegen de vrieskou, tegen extreme hitte en tegen felle wind. Door de aangepaste snoeitechnieken, namen de citrusbomen steeds meer kruipende vormen aan, en werden ze slechts 25 centimeter hoog. Tenslotte plantten de kwekers de boompjes op erg onwaarschijnlijke plaatsen, met name in grachten (of loopgraven) tot wel twee meter diep.

image

Afbeelding: een dwergpompelmoesstruik.

Dwerg- en halfdwergbomen

In de voornaamste kwekerijen ter wereld was het snoeien van citrusbomen eerder uitzonderlijk. Harold Hume, een Canadees-Amerikaanse botanist raadde zelfs aan om “snoeischaren zo ver mogelijk van ctriusplantages weg te houden”.

In Rusland en in de Sovjet-Unie, daarentegen, was het snoeien van de citrusbomen een onontbeerlijk aspect van het kweekproces. Niet in het minste om de bomen klein te houden. ‘Normale’ citroenbomen kunnen tot wel 5 meter hoog worden terwijl sinaasappelbomen zelfs hoogtes tot 12 meter bereiken. De Russiche kwekers werkten in de plaats daarvan, ook reeds voor 1920, met dwerg- en halfdwergvarianten van de citrusbomen die slechts 1 à 2 meter de hoogte in klommen. De dwergbomen werden verder gesnoeid om de kruinen compact te houden.

Compacte bomen hebben twee voordelen. Ten eerste zijn de temperatuurschommelingen en de windsnelheid dicht bij de grond lager en hebben ze dus minder impact op de bomen. Ten tweede kunnen kleine bomen makkelijker beschermd worden tegen de verschillende weersverschijnselen. In de meest milde regio’s bevonden de citrusplantages zich op terrassen of op steile hellingen, profiterend van een microklimaat.

image

Afbeelding: “Mandarijnen verzamelen in de Chakva staatsboerderij”, een schilderij van Mikhail Beringov, jaren 1930.

In de winter gebruikte men kaasdoeken of stromatten, gestut door een licht kader van enkele palen, om de afzonderlijke citrusplanten te beschermen. Rondom de plantages stonden windschermen, die op zulke wijze waren opgesteld dat ze zowel tegen de koude winterwinden als de hete droge zomerbriezen bescherming boden. De windschermen hielden ook koude luchtstromen uit de bergen tegen. Verdere bescherming tegen koude en wind werd geboden door de bomen dicht bij elkaar te zetten. Op sommige plaatsen werden tot wel 3.000 bomen per hectare geplant. Al deze methodes werken voor grote citrusbomen, maar waren uiteraard goedkoper en makkelijker toe te passen op planten van slechts 1 à 2 meter hoog.

Kruipende citrusbomen

Het trainen van kleine citrusbomen was de uitgelezen manier om het kweekgebied uit te breiden naar de gehele kust van de Zwarte Zee, wat tot dan toe onmogelijk was. Dit werd bereikt met het snoeien en geleiden van citrusbomen tot kruipende planten van slechts 25 centimeter hoog.

De kruin van de kruipende citrusplanten werd op twee manieren gevormd. In een eerste methode, liet men de boomstam overhellen van zodra hij boven de grond kwam. De voornaamste takken van de kruin vormden dan een unilaterale waaier die – net als het fruit zelf – de grond raakte. In een tweede methode hielden de kwekers de 10 à 15 cm lange stam rechtop terwijl de grote takken zich als een ster en in een hoek van 90 graden ten opzichte van de stam ontwikkelden. Van bovenuit kreeg de kroon op deze manier een het aanzien van een spinneweb, zonder dat de takken of het fruit de bodem raakten. De tweede methode bleek het meest succesvol.

image

Afbeelding: Kruipkweek, hier toegepast op een appelboom. Bron.

Kruipenden citrusbomen waren nog beter beschermd tegen koude en wind dan de dwerg- en halfdwergbomen. De lage, brede kroon creëerde een microklimaat dat zowel de zomermaxima als de winterminima wist te verzachten. In een test over een periode van 10 jaar, ontdekte men dat in de winter de temperaturen op hoogte van de kruin 2,5 tot 3 graden Celsius hoger lagen dan 2 meter boven de grond. In de zomer, gedurende extreme hittegolven, kon het verschil tot 20 graden Celsius bedragen.

De lage struiken waren ook veel beter beschermd tegen wind. De windsnelheid op 2 meter boven de grond haalde een gemiddelde van 10,4 meter per seconde. Op het niveau van de kruinen daalde dit gemiddelde naar een luttele 1,8 meter per seconde. Door de afwezigheid van sterke winden droogden de planten minder snel uit en verbruikten ze minder water.

imageimageimage

Afbeeldingen: Kruipende planten.

Logischerwijze konden kleinere planten makkelijker en goedkoper tegen weer en wind worden beschermd. In de winter van 1942-1943 zakten de temperaturen aan de kust van de Zwarte Zee tot -15 graden Celsius. De kruipende citroenbomen, beschermd door een dubbele laag kaasdoek en windschermen rondom de plantage, raakten niet beschadigd terwijl de grotere citroenbomen, met eenzelfde bescherming, tot aan de wortel bevroren. De kruipende citroenbomen leverden ook meer fruit op dan de halfdwergbomen. De bomen gaven vooral tijdens het eerste jaar meer fruit en het fruit was sneller rijp.

De fruitgracht

Geen van de bovengenoemde kweekmethodes volstonden om fruit te kweken in regio’s waar de bodem bevroor en waar de temeperaturen in de winter tot onder de -15 graden Celsius zakten. Op deze plaatsen werden citrusbomen in grachten (of loopgraven) gekweekt. Uiteraard was deze methode enkel inzetbaar voor dwergbomen en kruipende planten. Ondergronds beschermde de temperatuur van de aarde de citrusvruchten tegen vorst.

De diepte van de grachten varieerde tussen 0,8 en 2 meter, afhankelijk van de weersomstandigheden. De bomen konden in enkele of in dubbele rijen worden geplaatst. Om de lichtinval te optimaliseren werden de grachten in de vorm van een omgekeerd trapezium uitgegraven: voor een enkele rij planten bedroeg de breedte onderaan 2,5 meter en bovenaan 3 meter. Voor dubbele rijen werden dit respectievelijk 3,5 meter en 4 meter.

image

Afbeelding: Citrusbomen kweken in grachten. Kolhoz Stalin, landbouwregio rondom de stad Tashkent.

Bleken de wanden van de gracht instabiel, dan boden klei, bakstenen of schelpen versterking. De planten stonden op 1,5 meter uit elkaar wanneer ze een enkelvoudige rij vormden. In een dubbele rij zorgde een zigzagpatroon voor voldoende afstand. De lengte van de grachten was in de eerste plaats afhankelijk van het type terrein, maar bedroeg in het algemeen nooit meer dan 50 meter.

Grachten bevonden zich op vlakke grond of in een lichte helling, van oost naar west georiënteerd voor optimale lichtinval tijdens de koude wintermaanden. Ze stonden op 3 tot 5 meter van elkaar wanneer ze uit een enkele rij planten bestonden, bij een dubbele rij vergrootte de afstand tot 4 à 6 meter. Soms waren de grachten onderling verbonden, wat de verzorging vergemakkelijkte.

image

Afbeelding: Citruskwekijke in grachten, Odessa, 1956.

In de ruimte tussen de grachten plaatsten de kwekers zonneschermen of planten die als natuurlijke zonnewerking functioneerden. Deze ingrepen verhoogden de vochtigheidsgraad in de grachten en beschermden de citrusplanten tegen oververhitting in de zomer.

Overdekte grachten

In de zomer kregen de planten in de uitgegraven gangen dezelfde verzorging als onder ‘normale’ weersomstandigheden. In de winter werden de loopgraven bedekt met 2 centimeter dikke houten platen, met daar bovenop enkele of dubbele stromatten. Hierdoor bleef de warmte behouden en de neerslag geweerd. Landde er sneeuw op de bedekking, dan liet men die liggen als extra isolatie. De borden werden over de grachten geplaatst in een hoek van 30 à 35 graden. Klom de temperatuur boven nul in de winter, dan tilde men de borden op langs de zuidkant of werden ze volledig verwijderd gedurende de dag.

Deze methode kan niet zomaar bij elke plant toegepast worden. Citrusplanten tolereren lage lichthoeveelheden voor 3 to 4 maanden, tenminste als de luchttemperatuur rond de kruin constant blijft tussen de 1 en de 4 graden celsius. Bij deze temperaturen, verzwakt het metabolisme van de planten waardoor hun weerstand tegen de koude vergroot.

image

Afbeelding: Een dwergcitroenboom in een gracht.

image

Afbeelding: Citrusbomen in grachten.

Glas werd amper gebruikt. Houten platen boden veel meer bescherming tegen vorst, waren veel goedkoper en konden gemaakt worden van lokaal materiaal. Omdat de planten wel nood hadden aan een minimale lichtinval, was maximaal één vierde van de bedekking gemaakt van glazen platen waarboven stro, klei of losse aarde werd gelegd. Slechts hier en daar verzekerden enkele openingen licht en ventilatie.

Hoewel het kweken van kruipende citrusplanten arbeidsintensief was, bleek het een eenvoudige methode die geen grote investering vereiste en toch grote oogsten opleverde (80 tot 200 vruchten per plant per jaar) van hoge kwaliteit.

Andere kweekmethodes

image

Afbeelding: Een limonarium.

Citrusplanten werden ook in onverwarmde serres gekweekt. Deze ‘limonaria’, die zich tevens aan de kust van de Zwarte Zee bevonden, waren halfcircelvormige serres, gebouwd rond heuvels die veel lichtinval genoten. De bomen werder er gekweekt als espaliers (leibomen); een methode die doet denken aan de fruitmuren in Noord-Europese landen, die het kweken van perziken en ander Mediterraans fruit op een hoge breedtegraad mogelijk maakten.

Citrusplanten in potten werden ook gekweekt in appartementen, scholen, publieke gebouwen en zelfs in de wandelgangen van fabrieken en werkplaatsen, waar ze de restwarmte van centrale verwarming of industriële processen (stoom of heet water) verbruikten.

Weinig van deze methoden hadden winstgevend geweest in een vrije markt-regime. Hoewel de meeste kweekmethodes geen fossiele brandstoffen vereisten, waren ze uitermate arbeidsintensief. De grootschalige citrusproductie was enkel mogelijk omdat ze niet enkel tegen vrieskou, maar ook tegen buitenlandse competitie werd beschermd.

Kris De Decker

Dank aan Alexandrine Maes.

Referenties

Les Agrumes en U.R.S.S.”, Boris Tkatchenko, in ”Fruits”, vol.6, nr.3, pp.89-98, 1951. http://www.fruitiers-rares.info/articles21a26/article24-agrumes-en-URSS-1-Citrus.html & http://www.fruitiers-rares.info/articles51a56/article53-agrumes-en-URSS-2-Citrus.html

М. А. КАПЦИНЕЛЬ, ВЫРАЩИВАНИЕ ЦИТРУСОВЫХ КУЛЬТУР В РОСТОВСКОЙ ОБЛАСТИ РОСТОВСКОЕ КНИЖНОЕ ИЗДАТЕЛЬСТВО Ростов-на-Дону —1953. (“Growing citrus cultures in the Rostov region”, M.A. Kaptsinel). http://homecitrus.ru/books.html

Katkoff, V. “The Soviet Citrus Industry.” Southern Economic Journal (1952): 374-380. https://www.jstor.org/stable/1054452?seq=1. Full version here: https://sci-hub.tw/https://www.jstor.org/stable/1054452?seq=1

Volin, Lazar. A survey of Soviet Russian agriculture. No. 5. US Department of Agriculture, 1951. https://archive.org/details/surveyofsovietru05voli/page/n3/mode/2up. See page 151.

Мандарин – туапсинский господин?, СВЕТЛАНА СВЕТЛОВА, 16 ДЕКАБРЯ 2018 https://tuapsevesti.ru/archives/40995

http://www.agrumes-passion.com/plantation-entretien-f49/topic4913.html

https://www.supersadovnik.ru/text/yablonya-neobychnye-sposoby-formirovaniya-1003334

https://selskoe_hozyaistvo.academic.ru/2847/стелющаяся_культура

http://viknaodessa.od.ua/old-photo/

843.24KB