Battery used Battery charging

LOW←TECH MAGAZINE

Kan het verbranden van biomassa weer duurzaam worden?

Hakhout en knotbomen voorzagen mensen van brandstof, materiaal en voedsel tot aan het begin van de twintigse eeuw. Het verschil met de industriële bosbouw is zo groot als het verschil tussen dag en nacht.

image

Knotbomen in Duitsland. Afbeelding: René Schröder (CC BY-SA 4.0).

Hoezo is het omhakken van bomen duurzaam?

Wie tegenwoordig de verbranding van biomassa aanmoedigt als duurzaam alternatief voor het gebruik van fossiele brandstoffen, wordt met pek en veren de stad uitgejaagd. Hier is bijvoorbeeld een greep uit de reacties op (de Engelstalige versie van) het artikel over thermo-elektrische kachels:

  • Zoals de recente film “Planet of the Humans” aantoont, is biomassa (m.a.w. dode bomen) absoluut geen hernieuwbare energiebron, ook al wordt het door de E.U. wel op die manier geclassificeerd.”
  • Hoezo is het omhakken van bomen duurzaam?”
  • Het artikel vergeet te vermelden dat een houtkachel meer CO2 produceert dan een kolencentrale per ton hout/kool die wordt verbrand.”
  • Dit is pure waanzin. Bomen verbranden om onze CO2-voetafdruk te verkleinen, is oxymoronisch.”
  • De CO2-voetafdruk op zich is al gruwelijk.”
  • Het grootste probleem met het verbranden van eender wat, is dat het na verbranding voor altijd verdwenen is.”
  • De enige dwaze vraag die ik kan toevoegen aan dit dwaze stuk is: waar komt al dat hout vandaan?”

In tegenstelling tot wat de commentaren suggereren, promoot het artikel niet het gebruik van biomassa als energiebron. Het argumenteert dat wanneer er sowieso hout als energiebron wordt opgestookt — wat voor ongeveer 40 % van de wereldbevolking dagelijkse realiteit is — er net zo goed elektriciteit uit die warmte kan worden gehaald, als bijproduct. Dat kan dus met een thermo-elektrische generator. Maar ook dat deed de critici niet van mening veranderen. Eén van hen schreef: “We moeten proberen om het verbranden van hout globaal te elimineren in plaats van het aantrekkelijker te maken.”

Kortom, biomassa wordt tegenwoordig als een inherent problematische energiebron beschouwd — vergelijkbaar met fossiele brandstoffen. En dat is bizar, want het gaat in tegenstelling tot fossiele brandstoffen wel degelijk over een hernieuwbare brandstof. Voor alle duidelijkheid: de critici hebben gelijk als ze stellen dat de productie van biomassa allesbehalve duurzaam verloopt. Maar die praktijken zijn het gevolg van een relatief recente, industriële vorm van bosbouw. Kijken we naar historische vormen van bosbeheer, dan wordt al snel duidelijk dat biomassa potentieel de meest duurzame energiebron is die er op deze planeet bestaat.

Hakhout: hout oogsten zonder bomen te doden

Vandaag de dag wordt het meeste hout geoogst door bomen te doden. Wij vinden dat normaal, maar voor de Industriële Revolutie werd hout van levende bomen geoogst. Ze werden niet omgehakt, maar geknot. Dit zogenaamde “hakhoutbeheer” is gebaseerd op de natuurlijke capaciteit van veel loofboomsoorten om uit hun stam of wortels nieuwe groei te ontwikkelen, bijvoorbeeld als gevolg van schade door vuur, wind, sneeuw, dieren, pathogenen of (op hellingen) vallende stenen. Voor de productie van hakhout worden bomen laag bij de grond afgezaagd, waarna er uit de basis — de ‘stoel’ of de ‘stoof’ — meerdere nieuwe scheuten ontstaan die samen tot een meerstammige boom uitgroeien.

image

Afbeelding: Een hakhoutstoof. Bron: Geert Van der Linden.

image

Een recent gehakte groep eikenbomen. Bron: Henk vD. (CC BY-SA 3.0)

image

Hakhoutstoven in Surrey, Engeland. Bron: Martinvl (CC BY-SA 4.0)

Wanneer we ons een bos of een houtplantage voorstellen, dan denken wij aan een landschap vol hoge bomen. Maar tot aan het begin van de twintigste eeuw werden ongeveer de helft van alle Europese bossen geknot, wat een heel ander landschap opleverde. 1 Uit archeologisch onderzoek blijkt dat het gebruik van hakhout terug gaat tot de Steentijd, toen het werd gebruikt om paalwoningen en voetpaden in moerassen aan te leggen. De duizenden takken die daarvoor nodig waren, moesten allemaal even groot zijn, iets wat zonder het beheerst snoeien van bomen onmogelijk was. 2

imageimage

Kaarten: Schets van de historische verspreiding van hakhoutbossen in Tsjechië (boven) en in Spanje (onder). Bron: “Coppice forests in Europe”, zie 1

Deze techniek vormde sindsdien de standaard aanpak voor (brand)houtproductie –- niet enkel in Europa maar over de hele wereld. Het gebruik van hakhout breidde zich sterk uit in de achttiende en negentiende eeuw omdat de snelgroeiende bevolking en industrie (productie van glas, ijzer, tegel en kalk) de houtreserves onder druk zetten.

Een korte kapcyclus

Omdat de jonge scheuten van een geknotte boom kunnen profiteren van een welontwikkeld wortelsysteem, kan er sneller hout worden geproduceerd dan in het geval van een hoogstammige boom. Of, juister: hoewel het fotosynthetische rendement hetzelfde blijft, produceert een hoge boom meer biomassa ondergronds (in de wortels) terwijl een geknotte boom meer biomassa produceert bovengronds (in de scheuten) — en dat laatste is uiteraard een stuk praktischer. 3 Deels omwille van deze reden was hakhoutbeheer gebaseerd op korte kapcyclussen: er werd meestal om de twee tot vier jaar gekapt, hoewel er ook kortere (om het jaar) en langere (tot 15 jaar) kapcyclussen werden toegepast.

image

image

Hakhoutstoven met verschillende kapcyclussen. Foto: Geert Van der Linden.

Dankzij de korte kapcyclussen was een hakhoutbos een snelle, regelmatige en betrouwbare bron van brandhout. Een hakhoutbos werd vaak in verschillende gelijkmatige compartimenten opgedeeld die overeenstemden met het aantal jaren in een cyclus. Werden de scheuten bijvoorbeeld om de drie jaar geoogst, dan deelde men het bos op in drie delen en werd elk jaar uit een ander deel hout geoogst .

Het gebruik van korte kapcyclussen betekende ook dat het slechts enkele jaren duurde vooraleer de koolstofdioxide, vrijgekomen door het verbranden van het hout, gecompenseerd werd door de koolstofdioxide die werd opgenomen door de jongen scheuten. Dat maakte een hakhoutbos werkelijk CO2-neutraal. In erg korte kapcycli kwam het zelfs voor dat de jonge scheuten klaar waren voor de oogst terwijl de vorige oogst net voldoende droog was om te verbranden.

Bij sommige boomsoorten groeien na verloop van tijd steeds minder scheuten uit de ‘stoven’. Deze bomen werden dan omgehakt en vervangen door nieuwe bomen. Een andere mogelijkheid was het overschakelen naar een langere kapcyclus, zodat de bomen meer tijd kregen om nieuwe scheuten te ontwikkelen. Andere boomsoorten blijven dan weer nieuwe scheuten produceren, ongeacht de leeftijd van de boomstam. In een rijke bodem met goede bewatering kunnen ze op die manier eeuwenlang nieuw hout aanleveren. Overlevende houtstoven vandaag kunnen wel meer dan duizend jaar oud zijn.

Biodiversiteit

Hakhoutbeplantingen kunnen zowel een ‘bos’ of een ‘plantage’ worden genoemd, maar in feite zijn ze niet het één en niet het ander. Hoewel ze door mensen onderhouden worden, brengen hakhoutbossen of -plantages geen schade toe aan de omgeving, integendeel. Ze kunnen een rijkere biodiversiteit bezitten dan niet-onderhouden bossen, omdat ze uit verschillende zones bestaan met andere groeistadia en een andere lichtinval. Hakhoutbeplantingen hebben uiteraard ook een rijkere biodiversiteit dan industriële houtplantages, waar weinig of geen dieren en planten voorkomen, en die langere kapcyclussen hanteren.

image

Houthakstoven in Nederland. Foto: K. Vliet (CC BY-SA 4.0)

image

Zoete kastanjehoutstoven in Flexham Park, Sussex, England. Foto Charlesdrakew, publiek domein.

Dit alles wil niet zeggen dat onze voorouders nooit grote bomen omhakten. Het verschil is dat ze dat alleen maar deden wanneer grote stammen of planken nodig waren, bijvoorbeeld om schepen, gebouwen, bruggen en windmolens te bouwen. 4 Hakhoutbossen konden ook een aantal hoge bomen bevatten, terwijl de andere bomen errond wel regelmatig gesnoeid werden. Bovendien werden hoge bomen soms deels gesnoeid, bijvoorbeeld door het regelmatig oogsten van hun zijtakken.

Multi-inzetbare bomen

De archetypische, industriële houtplantage bevat evenwijdige, regelmatige rijen bomen van dezelfde leeftijd en dezelfde soort. Deze monocultuur genereert ook een voorspelbare output: ofwel hout om mee te bouwen, houtpulp voor papierproductie, of brandstof voor energiecentrales. Een hakhoutbos is daarentegen veel diverser en de bomen hebben meerdere functies tegelijk: ze produceren brandhout, bouwmaterialen én veevoer.

De lengte van de kapcyclus stond in relatie tot de gewenste houtafmetingen, die dan weer bepaald werden door de toepassing van het hout. Aangezien niet elk type hout geschikt was voor elke type gebruik, bestonden hakhoutbossen daarom vaak uit een variëteit aan boomsoorten en bomen met verschillende leeftijden. Er konden zelfs takken van verschillende afmetingen en met verschillende kapcycli op eenzelfde stoof worden gekweekt. Als de economische activiteit veranderde, dan konden ook de kapcycli worden aangepast.

image

Een klein houtperceel — een “geriefhoutbosje” — met een mix van hakhout, knotbomen en gewone bomen. Foto: Geert Van der Linden.

Gemeenschappen gebruikten hakhout om nagenoeg alles te bouwen wat ze nodig hadden. 5 Jonge wilgenscheuten zijn bijvoorbeeld erg flexibel en dus ideaal om manden en kratten mee te weven. Het snoeisel van de zoete kastanje, dat tijdens het drogen niet uitzet of krimpt, werd gebruikt om allerlei soorten tonnen en vaten mee te maken. Es en boswilg, die groot en stevig hout produceren, werden ingezet om de handvaten van borstels, bijlen, rieken, spaden en andere gereedschappen te vervaardigen.

Jonge takken van de hazelaar werden over hun gehele lengte gesplitst en tussen de houten spijlen van bouwwerken gevlochten (vitselstek) om vervolgens met leem en koeienmest opgevuld en afgewerkt te worden (dat heet in Vlaanderen “plak-en-stak”). Hazelaarscheuten hielden ook strooien en rieten daken bij elkaar. Elzen en wilgen, die onder water heel lang meegaan, werden gebruikt als funderingspalen en oeverversterkingen. Het constructiehout dat uit de hakhoutbossen werd geoogst, had geen negatieve invloed op de voorraad brandhout: omdat de artefacten vaak lokaal werden gebruikt, konden ze aan het einde van hun leven als brandhout worden gebruikt.

image

Bladvoeding oogsten in de Leikanger commune, Noorwegen. Foto: Leif Hauge. Bron: 19

Hakhoutbossen produceerden ook heel wat voedsel. Aan de ene kant voorzagen ze de mensen van fruit, bessen, truffels, noten, paddenstoelen, kruiden, honing en wild. Aan de andere kant vormden ze in de winter een belangrijke bron van veevoeder voor de boerderijdieren. Voor het begin van de Industriële Revolutie werden veel schapen en geiten gevoed met zogenaamd “bladvoeder” of “bladhooi” – blaadjes met of zonder takjes. 6

Iepen (olmen) en essen zijn de meest voedzame varianten. Schapen kregen ook linde, hazelaar, vogelkers, berk en zelfs eik te eten, terwijl geiten ook met bladeren van de els gevoed werden. In meer bergachtige regio’s kregen ook paarden, koeien, varkens en zijderupsen bladeren. Bladvoeder werd in cyclussen van drie tot zes jaar geproduceerd, wanneer de takken het hoogste ratio bladeren tegenover hout produceerden. Nadat de dieren de bladeren hadden opgegeten, werden de takken als brandhout gebruikt.

Knotbomen & kaphagen

De jonge scheuten van hakhoutstoven zijn door grazende dieren zeer gegeerd. Daarom werden hakhoutbossen vaak voor dieren afschermd door er grachten, hekken of hagen rond te zetten. Het hoger knotten van bomen liet daarentegen toe om dieren en bomen het land te laten delen. Het enige verschil tussen hakhoutstoven en knotbomen is dat de laatsten niet vlak boven het maaiveld maar op een hoogte van ongeveer twee meter worden geknot. De jonge scheuten zijn dan onbereikbaar voor de grazende dieren.

image

Verschillende snoeimethoden. Illustratie: Helen J. Read, zie bron 1.

image

Geknotte bomen in Segovia, Spanje. Foto: Ecologistas en Acción.

Tijdens de herfst werden varkens in bossen van geknotte eiken gestuurd om er zich te voeden met de gevallen eikels. Dit systeem vormde in Europa eeuwenlang het fundament van de productie van varkensvlees. 7 “Hoogstamboomgaarden” combineerden fruitteelt met veeteelt: de geknotte fruitbomen voorzagen de dieren van schaduw zonder dat die het fruit te pakken kregen. Bovendien bemesten de dieren de bodem waarin de bomen groeien.

image

Bos of weiland? Iets ertussenin. Een “dehesa” (varkensbosboerderij) in Spanje. Foto: Basotxerri (CC BY-SA 4.0).

image

Vee graast tussen geknotte bomen in Huelva, Spanje. (CC BY-SA 2.5)

image

Eenhoogstamboomgaard omringd door een levende haag in Rijkhoven, België. Foto: Geert Van der Linden.

Hoewel landbouw en bosbouw nu strikt gescheiden activiteiten zijn, was dat vroeger heel anders: de boerderij was het bos en omgekeerd. Het zou zinvol zijn deze twee opnieuw samen te brengen aangezien landbouw en veeteelt – niet houtproductie – de grootste oorzaken zijn van ontbossing. Als bomen dieren kunnen voeden, dan moeten vlees- en zuivelproductie niet leiden tot grootschalige ontbossing. En als gewassen in velden met bomen kunnen worden gekweekt, dan hoeft ook de landbouw niet tot ontbossing te leiden. Bosboerderijen zouden bovendien dierenwelzijn, bodemvruchtbaarheid en erosiebestrijding bevorderen.

Lijnbeplantingen

Grootschalige hakhoutplantages werden vaak als een gemeenschapsgrond of “meent” onderhouden. Maar hakhoutbeheer werd niet uitsluitend in bossen op grote schaal toegepast. Ook individuele huishoudens plantten hakhout aan. Dat gebeurde vaak als lijnbeplanting rondom boerenerven, velden en weilanden, of naast gebouwen, paden, wegen en waterlopen. Hakhout verscheen hier ook in de vorm van dichtbeplante hagen. 8

image

Haaglandschappen in Normandië, Frankrijk, rond 1940. Foto: W Wolny, publiek domein.

image

Lijnbeplantingen in Vlaanderen, België. Detail van de Ferraris-kaart, 1771-78.

Hoewel lijnbeplantingen meestal geassocieerd worden met Engeland, kwamen ze in ongeveer heel Europa voor. In 1804 drukte de Britse historicus Abé Mann zijn verbazing uit over het landschap in Vlaanderen: “Alle velden zijn omsloten met hagen, en dichtbeplant met bomen, tot op het punt dat het hele uitzicht van het land, vanop een zekere hoogte aanschouwd, uit één groot bos lijkt te bestaan.” Typisch voor de regio waren de grote hoeveelheden knotbomen. 8

Net als hakhoutbossen waren lijnbeplantingen divers van aard en voorzagen ze mensen van brandhout, bouwmaterialen en bladvoer voor dieren. Maar in tegenstelling tot hakhoutbossen hadden ze vanwege hun locatie ook andere functies. 9 Eén daarvan was het scheiden van akkers en velden: lijnbeplantingen hielden boerderijdieren op de weide, terwijl ze tegelijk wilde dieren of grazend vee van gemeenschappelijke gronden buiten hielden. De hagen konden met verschillende technieken ondoordringbaar worden gemaakt, zelfs voor kleine dieren zoals konijnen. Rondom weilanden konden rijen van dicht op elkaar geplante knotbomen (“kaphagen”) grote dieren zoals koeien tegenhouden. 8

image

Detail van een taxushaag. Foto: Geert Van der Linden.

image

Een heg. Foto: Geert Van der Linden.

image

Een kaphaag in Nieuwekerken, België. Foto: Geert Van der Linden.

image

Hakhoutstoven in een weiland. Foto: Jan Bastiaens.

Individuele bomen en lijnbeplantingen boden ook bescherming tegen het weer. Lijnbeplanten beschutten velden, boomgaarden en moestuinen tegen de wind, die bodemerosie veroorzaakt en jonge gewassen beschadigt. In warme klimaten beschermden bomen landbouwgewassen tegen de zon en bevruchtten ze tegelijk de bodem. Geknotte lindes, die een erg dichte bladgroei hebben, werden vaak vlak naast bouwwerken geplaatst, om ze te beschermen tegen wind, regen en zon. 10

Mesthopen werden door één of meerdere bomen beschermd om te voorkomen dat zon of wind de kostbare grondstof deed slinken. Op het erf van een watermolen werd het houten wiel van de molen door een boom afgeschermd opdat het niet zou krimpen of uitzetten in tijden van droogte of inactiviteit. 8

image

Een geknotte boom beschermt een waterrad. Foto: Geert Van der Linden.

image

Geknotte lindebomen beschermen een boerderij in Nederbrakel, België. Foto: Geert Van der Linden.

Locatie is belangrijk

Langs paden, wegen en waterlopen vervulden bomen en lijnbeplantingen vaak dezelfde locatie-specifieke functies als op boerderijen. Koeien en varkens werden over speciaal daarvoor ingerichte paden geleid, die omlijnd waren door hagen, hakhout en knotbomen. Toen de trein in het landschap verscheen, voorkwamen lijnbeplantingen botsingen met dieren. Langs wegen beschermden rijen van struiken en bomen wandelaars tegen het weer. Bovendien markeerden ze de weg bij sneeuwval. Lijnbeplantingen gingen ook bodemerosie tegen aan oevers en holle wegen.

Deze functies van lijnbeplantingen konden in principe ook door houten hekken worden vervuld, die een aantal voordelen hebben ten opzichte van levende hagen. Ze zijn sneller te bouwen, makkelijker te verplaatsen, nemen minder plaats in, en nemen geen licht en voedsel af van landbouwgewassen op de akkers. 11 Toch was de levende haag in een context van houtschaarste een beter idee, en soms zelfs een verplichting. Een levende haag levert immers voortdurend hout op, terwijl een houten hekwerk net een voortdurende houtconsumptie met zich meebrengt. Hoewel een hek op korte termijn tijd en ruimte bespaart, impliceert het wel dat het hout voor de constructie en het onderhoud elders uit de omgeving moet worden gehaald.

image

Kaphaag in België. Foto: Geert Van der Linden.

Het lokaal gebruik van hout werd gemaximaliseerd. Zo was de boom die naast het waterrad van een molen werd gepland, niet zomaar eender welke boom. Het was een Rode kornoelje of een iep, omdat het hout daarvan uitermate geschikt was om onderdelen voor het raderwerk te bouwen. Was er een onderdeel aan vervanging toe, dan kon het constructiehout meteen vlak naast de molen worden geoogst. Vanuit eenzelfde idee werden lijnbeplantingen langs zandwegen gebruikt om in het onderhoud van die wegen te voorzien. De jonge scheuten werden in bundels samengebonden en gebruikt als fundering of om gaten mee op te vullen. Omdat de bomen geknot of afgezet werden in plaats van omgehakt, stond het ene gebruik het andere nooit in de weg.

Als mensen vandaag de dag ijveren voor het aanplanten van meer bomen, dan wordt er weinig of geen aandacht besteed aan de precieze locatie van die bomen. Doelstellingen worden geformuleerd in termen van beboste oppervlakte of aantallen bomen. Maar zoals deze voorbeelden aantonen, kan het kiezen van de juiste locatie het potentieel van bomen nog veel groter maken.

Door schaarste gevormd

Hakhoutbeheer is grotendeels verdwenen in industriële samenlevingen, hoewel knotbomen nog wel terug te vinden zijn in straten en parken. Hun snoeisel wordt nu als afval beschouwd, terwijl het vroeger een hele gemeenschap van energie, materiaal en voedsel kon voorzien. Als hakhoutbeheer zo veel voordelen had, waarom is het dan verdwenen? Het antwoord is simpel: fossiele brandstoffen. Onze voorouders maakten gebruik van hakhout omdat ze niet over fossiele brandstoffen beschikten, en wij maken geen gebruik van hakhout omdat we wel toegang hebben tot fossiele brandstoffen.

Om te beginnen hebben fossiele brandstoffen de plaats van hout ingenomen als bron van energie en materialen. Kolen, gas en olie hebben brandhout vervangen om te koken, te verwarmen, en industriële processen uit te voeren. Metaal, beton en baksteen – materialen die al vele eeuwen bestaan – werden pas op grote schaal als alternatief voor hout ingezet toen ze met fossiele brandstoffen konden worden geproduceerd. Later kwam daar ook plastic bij.

Het zijn de beperkingen van menskracht en dierkracht die de methode van hakhoutbeheer hebben gecreëerd en gevormd.

Kunstmest, een product van fossiele brandstoffen, gaf een flinke boost aan het telen van veevoeder, terwijl op fossiele brandstoffen werkende transportmiddelen een wereldwijde handel in veevoeder stimuleerden. Dat maakte bladvoer overbodig. De mechanisering van de landbouw – aangestuurd door fossiele brandstoffen – leidde ertoe dat gewassen op veel grotere schaal kon worden verbouwd, wat betekende dat bomen en lijnbeplantingen plaats moesten ruimen om grotere machines te kunnen inzetten.

Minder vanzelfsprekend, maar minstens even belangrijk, is het feit dat fossiele brandstoffen de bosbouw zelf tot een industrie hebben omgevormd. Het oogsten, bewerken en transporteren van hout is vandaag volledig afhankelijk van fossiele brandstoffen, terwijl hetzelfde werk in vroegere tijden volledig door mensen en dieren werd gedaan — en die haalden hun brandstof zelf uit biomassa. Het zijn de beperkingen van menskracht en dierkracht die de methode van hakhoutbeheer hebben gecreëerd en gevormd.

image

Het oogsten van hout van knotbomen in België, 1947. Foto : Zeylemaker, Co., Nationaal Archief (CCO)

image

Brandhout transporteren in het Baskenland. Bron: Notes on pollards: best practices’ guide for pollarding. Gipuzkoaka Foru Aldundía-Diputación Foral de Giuzkoa, 2014.

Hout werd manueel geoogst en bewerkt, gebruikmakend van eenvoudige gereedschappen zoals hak- en kapmessen, beugelhaken, bijlen en (later) zagen. Omdat de arbeidsintensiteit van het manuele houthakken toeneemt met de stamdiameter, was het goedkoper en praktischer om meerdere kleine takken te oogsten in plaats van grote bomen om te hakken. Bovendien was het nadien niet nodig het hakhout te splitsen. De scheuten werden op een lengte van 1 meter afgesneden en samengebonden in takkenbossen, wat een handig formaat was.

Voor het transport van brandhout waren onze voorouders afhankelijk van karren die over vaak slechte wegen door dieren werden voortgetrokken. Tenzij het over water kon worden vervoerd, moest brandhout worden geoogst binnen een straal van maximum 15-30 km van de plaats van gebruik. 12 Voorbij deze afstanden hadden de dieren meer energie nodig dan het vervoerde hout opleverde. In dat geval had het meer zin om brandhout te telen op de grond waarop de trekdieren graasden. 13

Er waren enkele uitzonderingen op deze afstandsregel. Sommige industriële activiteiten, zoals de productie van ijzer, konden naar verderliggende bossen verplaatst worden. Het transport van ijzer was economischer dan het transport van het brandhout dat nodig was om het ijzer te produceren. Maar doorgaans bevonden hakhoutbossen (en uiteraard ook lijnbeplantingen) zich in de directe omgeving van gemeenschappen.

Kortom, hakhoutbeheer ontstond in een context van beperkingen. Omwille van de snelle groei en het veelzijdig ruimtegebruik maximaliseerde hakhout de lokale houtvoorraad van een regio. Tegelijk maakten de kleine takken, dicht bij de grond, een manuele oogst en transport zo makkelijk mogelijk.

Kan hakhout gemechaniseerd worden?

Vanaf de twintigste eeuw deed de motorzaag haar intrede, en sinds de jaren 1980 wordt hout steeds vaker geoogst door machines die volledige bomen in slechts enkele minuten kunnen omleggen en in stukken zagen. Fossiele brandstoffen brachten ook sneller en goedkoper transport, dat eerder ontoegankelijke houtreserves bereikbaar maakte. Vandaag kan brandhout aan de ene kant van de wereld worden geproduceerd, en aan de andere kant worden geconsumeerd.

Het gebruik van fossiele brandstoffen produceert CO2 terwijl het bosbeheer uit vroegere tijden een compleet CO2-neutrale activiteit was. Maar nog belangrijker is dat fossiele brandstoffen de houtproductie veel grootschaliger hebben gemaakt. 14 Fossiel transport heeft de band doorgeknipt tussen vraag en aanbod, terwijl die vroeger de kern vormde van bosbeheer. Als de houtvoorraad beperkt is door de transportmogelijkheden, dan heeft een gemeenschap geen andere keuze dan er voor te zorgen dat vraag en aanbod voortdurend in balans zijn. Lukt dat niet, dan ontstaat er een tekort aan energie, materialen en voedsel.

image

Mechanisch gestuurde wilgenhoutplantage. Kort na de kap (rechts), drie jaar oude groei (links). Foto: Lignovis GmbH (CC BY-SA 4.0).

Op een vergelijkbare manier heeft de volledig gemechaniseerde bosbouw de schaal in dergelijke mate opgevoerd dat duurzaam en multifunctioneel gebruik van bomen onmogelijk is geworden. Als er grote machines worden ingezet, dan is het volledig omhakken van grote bomen veel economischer dan hakhoutbeheer. In de industriële bosbouw kan één arbeider tot wel 60m³ hout per uur oogsten. De manuele houthak kan niet standhouden in een economisch systeem dat de vervanging van menselijke arbeid door machines aanmoedigt.

Manuele houthak kan niet standhouden in een economisch systeem dat de vervanging van menselijke arbeid door machines aanmoedigt.

Een aantal wetenschappers en ingenieurs hebben dit proberen op te lossen door hakhout-oogstmachines te bouwen. 15 Maar mechanisatie zet hakhoutbeheer al gauw op glad ijs. De machines zijn enkel praktisch en winstgevend als ze op ietwat grotere terreinen (> 1 ha) bomen kunnen snoeien van dezelfde soort, dezelfde leeftijd en met éénzelfde doel (vaak brandstofhout voor stroomopwekking). Zoals we eerder zagen, sluit dit vele oudere vormen van hakhoutbeheer uit, zoals het gebruik van multifunctionele bomen en lijnbeplantingen. Voeg daar nog een transportvorm aan toe die op fossiele brandstoffen draait, en het resultaat is een type industrieel hakhoutbeheer dat niet noodzakelijk veel beter is dan de huidige industriële houtproductie.

image

Hakhout langs een beek in ‘s Gravenvoeren, België. Foto: Geert Van der Linden.

Duurzaam bosbeheer is in essentie lokaal en manueel. Dat betekent niet dat we het verleden exact moeten kopiëren om biomassa weer duurzaam te maken. De straal waarin hout wordt aangeleverd, kan bijvoorbeeld groter worden door transportvormen te gebruiken met een lage energiekost zoals vrachtfietsen of kabelbanen. Die zijn een stuk efficiënter dan paard en kar, en kunnen zonder fossiele brandstoffen werken. Ook handgereedschap is efficiënter en ergonomischer geworden. Motorzagen aangedreven door biobrandstof zijn ook een mogelijkheid. 16

Het verleden leeft verder

Dit artikel vergeleek de industriële productie van hout met historische vormen van bosbeheer in Europa, maar in feite is het niet nodig om in het verleden inspiratie te gaan zoeken. De gemeenschappen waar mensen nog steeds hout verbranden om te kunnen koken en verwarmen, zijn geen klanten van de industriële bosbouw. Ze oogsten hun brandhout op een manier die heel erg lijkt op hoe wij dat vroeger deden, hoewel de boomsoorten en het klimaat vaak erg kunnen verschillen. 17

Een studie uit 2017 berekende dat de houtconsumptie door mensen in “ontwikkelingsgebieden” – goed voor 55% van het houtgebruik wereldwijd en 9-15% van het totale globale energieverbruik – slechts voor 2-8% verantwoordelijk is voor de antropogene impact op het klimaat. 18 Waarom zo weinig? Omdat ongeveer twee-derde van het geoogste hout in ontwikkelingslanden duurzaam wordt geoogst, schrijven de onderzoekers. Mensen verzamelen voornamelijk dood hout, planten meer hout buiten de bossen, knotten en snoeien bomen, en verkiezen multifunctionele bomen, die veel te kostbaar zijn om zomaar om te hakken. De motieven zijn gelijk aan die van onze voorouders: zonder toegang tot fossiele brandstoffen zijn deze mensen afhankelijk van de lokale houtaanvoer, die manueel geoogst en vervoerd moet worden.

image

Afbeeldingen: Afrikaanse vrouwen dragen brandhout. (CC BY-SA 4.0)

Het probleem is niet dat biomassa op zichzelf een onduurzame energiebron is. Als de hele mensheid zou leven zoals de 40% die vandaag de dag nog steeds afhankelijk is van biomassa, dan zou er geen sprake zijn van een klimaatverandering. Het probleem is een energieslurpende levensstijl. Uiteraard kunnen we geen hoogtechnologische, industriële groeisamenleving ondersteunen met hakhout en lijnbeplantingen. Maar hetzelfde geldt natuurlijk ook voor wind- en zonne-energie, en op wat langere termijn ook voor uranium en fossiele brandstoffen.

Kris De Decker

Kathy Vanhout hielp bij de Nederlandse vertaling van dit artikel.

Reacties

Wil je reageren op dit artikel? Stuur dan een mailtje naar solar (at) lowtechmagazine (dot) com. Je mailadres wordt niet voor andere doeleinden gebruikt. Wens je anoniem te blijven? Teken dan je reactie met alleen je voornaam of een pseudoniem.

Deze website wordt elke dag rond 17 uur geactualiseerd. Je moet de pagina verversen om de nieuwste comments te bekijken.

Alex Van den Bossche

Dag Kris,

Kan het verbranden van biomassa weer duurzaam worden? Hakhout en knotbomen Toch nog iemand die er durft over schrijven… Waar ik woon werd er vanaf 1960 redelijk wat met hout gestookt. (Er was een fruitexploitatie met hoogstammen die moest verdwijnen). Nog een halve eeuw daarvoor werden knotwilgen gebruikt, ook es en andere, samen met kolen. Ook meidoornhaagtakken voor een broodoven. Vanaf 1960 eerst nog een deel stookoliekachels, dan centrale verwarming+houtkachels. Nu een CV op hout, waarbij de CV op olie vrijwel niet gebruikt wordt. Nu volstaat de gevallen bomen te verwerken, gewoon onderhoud en eventueel zieke. Een verrottingsproces geeft uiteindelijk ook CO2 en methaan. Nooit een open haard gebruikt: het rendement is erbarmelijk en de verbranding ook. Het is overigens niet zo duidelijk dat fijn stof het leven zo sterk inkort: https://www.insee.fr/fr/statistiques/2012749 Parijs heeft een aanzienlijk langere levensverwachting tegenover een 30% natuurgebied “Pas de Calais”. Men stelling is dat men minder levensverwachting heeft in “canyon streets” door het lawaai waardoor men de ramen sluit en te weinig verluchting heeft (schimmels).

In de stad kan men hout niet gebruiken: de schoorsteen van een woonst komt in de living uit van het appartement er naast…

Wel moet men af en toe naar de schouw kijken: Als er onvoldoende secondaire lucht is, dan kan het bruin of blauw worden. Mijn buren dachten dat ik met gas stookte: geen of amper witte rook. Of soms dachten ze dat ik afwezig was: geen rook bij lage luchtvochtigheid buiten.

Eeen deel van het geheim is geen 2-3jaar maar 4 jaar drogen in een echt goede houtmijt. Ook geen dun hout op een sterk vuur, het ontsteken naast de blokken, niet er onder. Een elektrostatisch stoffilter zou wel nog wat stofdeeltjes (vliegas) uithalen, maar de VOS laten zitten. Ook heeft men dingen die 30W verbruiken, waarschijnlijk slecht ontworpen. Met een elektrostatisch filter ziet dan minder de rook, maar VOS blijven, dus denkt men dat het beter is. De vraag is wat best is wat houtassen of VOS? Misschien zit er iets in een elektrostatisch stoffilter dat 9 seconden aan en 1 seconde uit staat en waarbij men het verschil in opaciteit meet, als indicatie om de stookinstallatie beter te regelen. Ik zou dat nog kunnen ontwerpen, maar is er geen markt voor? Men ontwikkelt gewoon niets echt serieus voor houtkachels… De elektriciteit en gaslobby ziet niet graag concurrentie. 10% van de stokers maken 90% uit van het fijn stof. “Goed branden, dan volstoppen met hout en dan schof toe”. Dit heeft een naam: houtdestillatie. In de landbouwstreken is er zo weinig fijn stof dat men er zelfs geen meetpunten plaatst: Tussen Gent, Brussel, Mons, Tournai, Kortrijk een grote blinde vlek van 50km diameter! Zie AQI kaart Men meet ook zelfs geen CO2 met AQI of irceline! Men ziet dat het uit lobby ontstaan is.

Het lokaal gewonnen hout is nu ongeveer goed voor 3g fossiele CO2/kWh. Het kan nog lager: met kettingzagen op batterij en ook transport op batterij, de cirkelzaag draait als de PV panelen injecteren ook de kliefmachine. Dan nog plantaardige olie voor de ketting. Houtmijten hebben een afdak met PV panelen… In deze periode kunnen de panelen ook wat verwarming geven.

Met vriendelijke groeten,

Alex Van den Bossche

Guido

Goed verhaal! Complimenten Guido

Gerard J. van den Broek

Geachte redactie,

Met belangstelling heb ik het artikel gelezen omtrent het mogelijk duurzaam gebruik van biomassa, door bomen niet te “doden”, zoals u het terecht noemt, maar te knotten. In Frankrijk is het effect van deze in onbruik geraakte gewoonte nog overal waar bos staat, waar te nemen, en dat is een flink percentage van de oppervlakte van Frankrijk (nog wel, want er wordt veel, veel meer gekapt dat enkele jaren geleden, alles voor de houtpelletindustrie!). In mijn onderzoek vele jaren geleden naar grondgebruik, -indeling en toponiemen in het departement Corrèze stuitte ik op de term “bois taillis,” bos dat vrijwel geheel bestaat uit opnieuw opgeschoten bomen uit de omgezaagde stammen van bomen met - dikwijls - een enorme omvang. Veelal waren dit tamme kastanjes (l’arbre du pain, of wel “broodboom,” omdat van de gedroogde en gemalen kastanjes brood werd gebakken). De term “bois taillis” of “taillades” komt overal in Frankrijk voor. Rousseau schreef er in zijn “Confessions” (1769) en Rêveries du promeneur solitair al over.

Overigens heb ik zelf een huis dat gelegen is aan de “Impasse des Taillades.”

Hulde voor het Lowtech Magazine, en de stamina waarmee dit al zoveel jaren wordt gemaakt.

Hoogachtend,

Dr. Gerard J. van den Broek

Han Snijders

Het stuk over hakhout bevat mooie observaties. Het voorziet in kleinschalige houtstook, hetwelk zal blijven bestaan ondanks de CO2-jacht. Blijft staan dat er toen en vooral nu veel omzaagbomen (nodig) waren voor konstruktiehout. De totale bosopp. volstaat b.v. in Nld met 11% niet om aan de behoefte voor inheemse voedingsmiddelen, konstruktiehout, papier en biodiversiteit te voldoen. Bij meer bos zou landbouwgrond moeten inleveren, maar ook dat is er veel te weinig.

Met vriendelijke groet,

Han Snijders, Eindhoven

Henk Veenstra

Interessant stuk over hakhout vs kaphout! Paar jaren geleden waren we in een oud Frans huis. Eromheen stonden enkele honderden hele oude geknotte bomen keurig in lange rijen. Als erfafscheiding inderdaad. Gevraagd naar de eigenaar wat voor bomen dat waren, bleken het Haagbeuken te zijn van plm 200 jaar oud ! En, worden nog steeds om de 10 jaar geknot en leveren het mooiste beukenhout voor in de kachel, prachtig mooi rondhout van plm 10-15 cm dik. Wat een geweldig manier om duurzaam hout te oogsten!

Ze waren nog niet zo dom vroeger, en in Frankrijk kan je dit soort oude landschappen en gebruiken nog vaak vinden.

met groet, Henk Veenstra

Mathias De Backer

Beste Kris,

Dank je voor het onderzoekwerk en artikel over hakhoutbeheer en hoe dit feitelijk volledig CO2 neutraal beheerd kan worden. Ik las met plezier hoe het in feite dat het in principe haalbaar is zonder (te veel) fossiel gestookte hulpmiddelen (ketting zagen, tractoren,…) betrekkelijk zelfvoorzienend te zijn op gebied van brandstofproductie. Ik heb er echter enkele bedenkingen bij die het systeem helaas moeilijk haalbaar maken binnen het kader van de huidige maatschappij. Mijn mail sluit ik af met een inspirerende techniek van hakhoutbeheer uit Japan waar ik recent over las en die perfect bij dit artikel aansluit.

Eerst dus de bedenkingen waarbij hakhoutbeheer in het kader van de huidige maatschappij geen volwaardige vervanging kan vormen voor onze warmtevraag omwille van onder andere volgende redenen: - Wij zijn met te veel… Ten tijde van de hakhoutbossen was de populatie mensen die verwarmd moest worden aanzienlijk kleiner en ze woonden met meer in kleinere huizen. Is er nu nog voldoende landoppervlak per hoofd beschikbaar om de nodige brandstof te voorzien? - Het stoken op hout in dicht bevolkte gebieden (waar het merendeel van de wereldbevolking woont) is helaas nefast voor de luchtkwaliteit. Fijn stof kan misschien wel wat gereduceerd worden door hoog-rendement kachels, rocket stoves, houtvergassers,… maar het blijft een probleem. - Het oogsten van het hout is zeer arbeidsintensief (en dus zeer duur). Toen hakhoutbossen de standaard waren, was het merendeel van de bevolking actief in de primaire sector (landbouw/bosbouw). Het oogsten van hakhout was deel van het levensonderhoud, zowel om zichzelf te verwarmen als om een deel van het hout te verkopen. Een houthakker had slechts een relatief beperkt aantal klanten te bedienen. Als we dit op de huidige verhouding landbouwer/bosbouwer - consument projecteren, kan de houthakker niet anders dan het geïndustrialiseerd aanpakken om zijn ruim cliënteel te bedienen en de prijs te drukken. In dat geval schieten we, zoals ook aangehaald in het artikel, helaas het doel weer voorbij. Het is dus een elegante oplossing voor de bewoner van het platte land die zo duurzaam zelfvoorzienend kan zijn, maar niet haalbaar in verstedelijkt gebied.

Dat brengt me bij de inspirerende techniek uit Japan: daisugi. Hier wordt hakhout geoogst van ceders die eeuwenoud kunnen zijn en in een ongeveer 20 jarige cyclus worden gekapt. Het hout wordt hier vooral als constructie of productiehout gebruikt en niet als brandstof. De traditionele techniek werd generatie overschrijdend onderhouden en heeft de regio van Kitayama van ontbossing behoed. Meer info vind je onder andere hier: https://earthbuddies.net/daisugi/ en via de referenties op wikipedia: https://en.wikipedia.org/wiki/Daisugi

Vriendelijke groeten,

Mathias De Backer

Ed Romeijn

Beste Kris,

Ik lees je artikelen al jaren met grote belangstelling.

Het recente hakhoutartikel springt er voor mij nu echt uit. Het is echt goed onderbouwd. Naar zulke referenties ben ik al lange tijd op zoek. In 2003 ging mijn afstudeerscriptie over lijnbeplanting in relatie tot biodiversiteit en biomassaproductie. De belangstelling voor groene dooradering van het agrarisch landschap met hakhout zou de komende jaren wel weer eens kunnen opleven. Bij de grootse plannen voor nieuwe bosaanleg kan het hakhoutalternatief ook zeker nog wat beter onder de aandacht gebracht worden.

Met dank,

Ed Romeijn

Romeijn Natuur en Landschap

Yves Joris

Beste Kris,

dank voor weer een goed onderzochte en goed doordacht onderwerp. ( Hakhoutbeheer kende ik reeds van het beheren van een natuurgebied en als natuurgids.) En ik wil ook mijn bewondering uiten voor je consequent duurzame internet-werkwijze en een in dat opzicht verbeterde solar-site. Esthetisch vond ik de vorige site beter, maar ik begrijp wel dat je nieuwe website met kleuren-achtergrond, minder energie zal verbruiken dan eentje met witte achtergrond.

Wat betreft duurzaamheid en biodiversiteit betreft, waren de bewoners in de tijd van de Ferraris-kaarten beter; maar ze waren ook met minder volk.

Als men de Ferraris-kaarten bestudeert, ja dan valt het ook op hoe erg veel landbouw er toen ook was en weinig bos. Sindsdien zijn er nog minder bossen als toen. De situatie is dus nog verergerd en ook erg versteend/gebetonneerd.

En wat betreft de biodiversiteit, de meeste cijfers staan op rood (behalve misschien voor de onuitroeibare paardenbloemen en netels) en gezien de toename van de bevolking, moet het logischerwijze steeds slechter gaan.

Men zou iedereen kunnen verplichten om “in de hoogte” (appartementsblokken) te gaan wonen, maar eigenlijk is dat onnatuurlijk en geen gezonde situatie.

Alle duurzame inspanningen en moeite van een kleine minderheid (zoals U, ik ea) worden door het gros van de petrol- & overbevolkings-maatschappij genadeloos weggeveegd; maar, als idealisten, kunnen we niet anders leven.

Alleen drastische maatregelen voor de massa zouden iets duurzaams kunnen bijdragen. Echter, nu reeds is het duidelijk dat de corona-tijd weinig of niks als “lessen” heeft bijgebracht op gebied van biodiversiteit; want ipv te veranderen snakken de mensen om als ooit tevoren hun “normale” “petrol-leventjes” weer op te pakken.

Een zoveelste verloren kans. 2050 ? Wat mij betreft Is dat de (zoveelste) zandstrooierij bij het volk (en tijdverlies) door de politiek, om niks of weinig terdege te moeten doen.

Tot de laatste druppel aardolie, laatste brok kool en laatste zucht aardgas opgebruikt zullen zijn, want zo wil het ook “de markt”, waaraan de politiek te slaafs onderworpen is. De EU-milieupolitiek biedt een serieuze kans, maar iedereen ziet dat de strijd ongelijk is en dus is het ergste te vrezen.

Ook de hakhout-cultuur (net als graan malen in de molen) is allang in onbruik en gedoemd om slechts door een kleine minderheid terug opgepakt te worden, en dat haalt dus niks uit (op wereldschaal).

Yves Joris


  1. Verschillende bronnen: Unrau, Alicia, et al. Coppice forests in Europe. University of Freiburg, 2018. // Notes on pollards: best practices’ guide for pollarding. Gipuzkoako Foru Aldundia-Diputación Foral de Gipuzkoa, 2014. // A study of practical pollarding techniques in Northern Europe. Report of a three month study tour August to November 2003, Helen J. Read. // Aarden wallen in Europa, in “Tot hier en niet verder: historische wallen in het Nederlandse landschap”, Henk Baas, Bert Groenewoudt, Pim Jungerius and Hans Renes, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2012. 

  2. Logan, William Bryant. Sprout lands: tending the endless gift of trees. WW Norton & Company, 2019. 

  3. Holišová, Petra, et al. “Comparison of assimilation parameters of coppiced and non-coppiced sessile oaks”. Forest-Biogeosciences and Forestry 9.4 (2016): 553. 

  4. Perlin, John. A forest journey: the story of wood and civilization. The Countryman Press, 2005. 

  5. Handleiding voor het inventariseren van houten beplantingen met erfgoedwaarde. Geert Van der Linden, Nele Vanmaele, Koen Smets en Annelies Schepens, Agentschap Onroerend Erfgoed, 2020. Voor een goede (maar beknopte) referentie in het Engels, zie Rotherham, Ian. Ancient Woodland: history, industry and crafts. Bloomsbury Publishing, 2013. 

  6. Toen bladvoer over heel Europa gebruikt werd, was het vooral gebruikelijk in bergachtige regio’s zoals Scandinavië, de Alpen en de Pyreneëen. In Zweden in 1850 bijvoorbeeld consumeerden 1,3 miljoen schapen en geiten jaarlijks meer dan 190 miljoen bundels, waarvoor ten minste 1 miljoen hectare aan bladverliezend houtland geëxploiteerd werd, meestal in de vorm van knotbomen. De oogst van bladvoer is ouder dan het gebruik van hooi als wintervoer. Takken konden met stenen werktuigen versneden worden, terwijl gras bronzen of ijzeren gereedschappen vereiste. Terwijl het meeste knotten en hakken in de winter werd gedaan, gebeurde de oogst van de bladval logischerwijze in de zomer. Bundels vol bladvoer werden vaak in de geknotte bomen bewaard om te drogen. Bronnen: Logan, William Bryant. Sprout lands: tending the endless gift of trees. WW Norton & Company, 2019. // A study of practical pollarding techniques in Northern Europe. Report of a three month study tour August to November 2003, Helen J. Read. // Slotte H., “Harvesting of leaf hay shaped the Swedish landscape”, Landscape Ecology 16.8 (2001): 691-702. 

  7. Wealleans, Alexandra L. “Such as pigs eat: the rise and fall of the pannage pig in the UK”. Journal of the Science of Food and Agriculture 93.9 (2013): 2076-2083. 

  8. Deze informatie is gebaseerd op verschillende Nederlandstalige publicaties: Handleiding voor het inventariseren van houten beplantingen met erfgoedwaarde. Geert Van der Linden, Nele Vanmaele, Koen Smets en Annelies Schepens, Agentschap Onroerend Erfgoed, 2020. // Handleiding voor het beheer van hagen en houtkanten met erfgoedwaarde. Thomas Van Driessche, Agentschap Onroerend Erfgoed, 2019 // Knotbomen, knoestige knapen: een praktische gids. Geert Van der Linden, Jos Schenk, Bert Geeraerts, Provincie Vlaams-Brabant, 2017. // Handleiding: Het beheer van historische dreven en wegbeplantingen. Thomas Van Driessche, Paul Van den Bremt and Koen Smets. Agentschap Onroerend Erfgoed, 2017. // Dirkmaat, Jaap. Nederland weer mooi: op weg naar een natuurlijk en idyllisch landschap. ANWB Media-Boeken & Gidsen, 2006. // Een goede bron is het Engels is: Müller, Georg. Europe’s Field Boundaries: Hedged banks, hedgerows, field walls (stone walls, dry stone walls), dead brushwood hedges, bent hedges, woven hedges, wattle fences and traditional wooden fences. Neuer Kunstverlag, 2013. // Wanneer lijnbeplantingen voornamelijk werden gebruikt voor houtproductie, werden ze iets verder van elkaar geplant zodat er meer licht doorkon en er dus een hogere houtproductie mogelijk was. Werden ze eerder gebruikt als erf- en weide-afscheidingen, stonden ze dichter opeen geplant; De verminderde houtproductie werd dan gecompenseerd door een vollere groei. 

  9. In feite konden ook hakhoutbossen een locatie-specifieke functie vervullen: ze konden rondom steden of nederzettingen geplaatst worden om voor de vijand een ondoordringbaar obstakel te vormen, zowelte voet als te paard. De bossen kunnen door lukraak schieten niet even eenvoudig vernietigd worden, wat met muren en omwallingen wel het geval was. Bron: 5 

  10. Lindebomen werden zelfs gebruikt om brand te voorkomen. Ze werden net naast een bakkerij gebouwd om te voorkomen dat opspringende vonken naar hout- en hooistapels of rieten daken konden overspringen. Bron: 5 

  11. Het feit dat levende hagen en bomen moeilijker te verplaatsen zijn dan omheiningen van dood hout had ook zijn praktische voordelen. In Europa was er tot aan de Franse bezetting, geen landregister en werden grenzen fysiek in het landschap aangeduid. Het werk van een landmeter werd “ondertekend” met het planten van een boom, wat een stuk moeilijker is om stiekem te verschuiven dan een paal of een hek. Bron: 5 

  12. En, wanneer het hout wel over water over langere afstanden vervoerd kon worden, moest het hout evenwel niet verder dan 15-30km van de rivier of de kust geoogst kunnen worden. 

  13. Sieferle, Rolf Pieter. The Subterranean Forest: energy systems and the industrial revolution. White Horse Press, 2001. 

  14. Over de verschillende schalen van houtproductie, zie ook: Jalas, Mikko, and Jenny, Rinkinen. “Stacking wood and staying warm: time, temporality and housework around domestic heating systems”, Journal of Consumer Culture 16.1 (2016): 43-60. // Rinkinen, Jenny. “Demanding energy in everyday life: insights from wood heating into theories of social practice.” (2015). 

  15. Vanbeveren, S.P.P., et al. “Operational short rotation woody crop plantations: manual or mechanised harvesting?” Biomass and Bioenergy 72 (2015): 8-18. 

  16. Daarentegen kunnen kettingzagen een nefast effect hebben op sommige boomsoorten, zoals een verminderde groei or een grotere kans om ziektes over te dragen. 

  17. Verschillende bronnen die refereren aan traditionele bosbouw-praktijken in Afrika: Leach, Gerald, and Robin Mearns. Beyond the woodfuel crisis: people, land and trees in Africa. Earthscan, 1988. // Leach, Melissa, and Robin Mearns. “The lie of the land: challenging received wisdom on the African environment.” (1998) // Cline-Cole, Reginald A. “Political economy, fuelwood relations, and vegetation conservation: Kasar Kano, Northerm Nigeria, 1850-1915.” Forest & Conservation History 38.2 (1994): 67-78. 

  18. Meerdere referenties: Bailis, Rob, et al. “Getting the number right: revisiting woodfuel sustainability in the developing world.” Environmental Research Letters 12.11 (2017): 115002 // Masera, Omar R., et al. “Environmental burden of traditional bioenergy use.” Annual Review of Environment and Resources 40 (2015): 121-150. // Study downgrades climate impact of wood burning, John Upton, Climate Central, 2015. 

  19. Haustingsskog. Rettleiar for restaurering og skjøtsel, Garnås, Ingvill; Hauge, Leif ; Svalheim, Ellen, NIBIO RAPPORT | VOL. 4 | NR. 150 | 2018. 

2.61MB